JEE

        DURA  LEX

       JURIDISCH ADMINISTRATIEF RECHT

Artikel 4.7.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

 

 

 

 

 

1.       Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:
a.
  onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen
     of onderdelen daarvan;
b.
  bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
  caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor
     recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
     hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
     commercieel doel;
d.
  mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling
     ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
     oude metalen;
e.
  afvalstoffen;
f.
   autowrakken.

2.   In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

3.   Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof;
a.
  op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel
b.
  op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van
     de door hen gestelde regels.

4.   Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, het Besluit Beheer Autowrakken, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening van toepassing is. 
 

 

 

 

 

 

Toelichting

Dit artikel heeft het in de aanhef en in lid 1 sub a over vaartuigen. Het is mogelijk dat een havenverordening ook een dergelijke bepaling kent. Dit betekent dat de havenverordening als speciale wet voor de APV als algemene wet gaat. Voor een duidelijke redactie verdient het de aanbeveling deze bepaling dan tekstueel aan te passen. Het zelfde geldt voor een mogelijke zelfde regeling in de afvalstoffen verordening.


Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten en –afval. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.

Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de ‘weg’ daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.

De in de afdeling 5.1 ‘Parkeerexcessen’ opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.

Activiteiten waarvan op grond van de Wet milieubeheer (Wm) een vergunning vereist is of een meldingsplicht, indien het ene zogenaamde 8.40 AmvB betreft, kunnen niet onder de bepaling van de APV worden gebracht. Aangezien het motief gelijk is, namelijk het voorkomen van hinder, vervallen op dit punt de gemeentelijke bepalingen.

Indien er sprake is van niet-inrichtingsgebonden activiteiten, kunnen de hinderlijke effecten hiervan wel met diverse bepalingen uit de APV worden bestreden, bijvoorbeeld met de volgende artikelen 4.2.5.1 vierde lid, 4.1.5, 4.4.1 en 4.7.1.

Autowrakken

De regelgeving voor autowrakken is in 2002 drastisch gewijzigd. Op 8 mei 2002 is de wijziging van de Wet milieubeheer (Structuur beheer afvalstoffen, Staatsblad 2001, 346) gedeeltelijk in werking getreden. Op 2 juli 2002 is het Besluit beheer autowrakken (Staatsblad 2002, 259) in werking getreden. De wetswijziging heeft gevolgen voor de APV door artikel 4.7.1 lid 1 uit te breiden met categorie f. autowrakken.

Het nieuwe Besluit Beheer Autowrakken (hierna te noemen: BBA) verplicht autofabrikanten om een hoogwaardig inname- en verwerkingssysteem voor autowrakken op te zetten. In artikel 1 onder b BBA wordt autowrak namelijk als volgt gedefinieerd: ‘voertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer’.

Door deze definitie wordt een autowrak altijd aangemerkt als afvalstof. De behoefte aan een algemeen verbod zoals opgenomen in artikel 10.17 Wm (oud), is hiermee dus komen te vervallen. Het gevolg hiervan is dat het college de bevoegdheid heeft om in zijn verordening een verbod op te nemen om een autowrak te hebben op een zichtbare plaats. Er is immers geen strijd meer met hogere wet- of regelgeving.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstuk 26 638, nr. 3) van de wijziging van de Wet milieubeheer wordt hierover het volgende gezegd: ‘De gemeenten blijven hun bevoegdheid behouden om in de gemeentelijke afvalstoffenverordening een verbod op te nemen om een autowrak te hebben op een voor het publiek zichtbare plaats’.

Aan deze bevoegdheid wordt dus concreet invulling gegeven door artikel 4.7.1 lid 1 ook op autowrakken van toepassing te laten zijn en autowrakken als aparte categorie aan te wijzen. Dit is overigens niet noodzakelijk, omdat in artikel 4.7.1 lid 1 onder e afvalstoffen als categorie zijn aangewezen. Aangezien een autowrak per definitie een afvalstof is op grond van artikel 1onder b BBA, zou een autowrak niet als aparte categorie hoeven te worden aangewezen, maar onder de algemene noemer van afvalstoffen kunnen vallen. Een aparte aanwijzing geeft echter meer duidelijkheid.

Definitie autowrak

In artikel 1.1, lid 1 Wm (oud) werd de definitie van autowrak gegeven, met een nadere uitwerking in het Besluit Nadere omschrijving begrip afvalstoffen. Het begrip autowrak wordt nu gedefinieerd in artikel 1 onder b BBA als: ‘voertuig dat en afvalstof is in de zin van artikel 1.1 lid 1 van de Wm’.

De Wm definieert het begrip afvalstof als volgt: ‘alle stoffen, preparaten of andere producten … waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’.

Opslag van autowrakken in inrichtingen

De provincie is bevoegd gezag voor Wm-inrichtingen die vijf of meer autowrakken opslaan. Het college van de gemeente is bevoegd gezag voor inrichtingen die onder de werking van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer vallen. In dergelijke inrichtingen is de opslag van maximaal vier autowrakken toegestaan. Artikel 4.7.1 model APV is in deze gevallen niet van toepassing.

Ook komen in de meeste bestemmingsplannen voorschriften voor die het gebruik van de grond als opslagplaats onmogelijk maken dan wel strak reguleren.

Voorts bevat de provinciale verordening een regeling ten aanzien van opslag-, bewaar-, werk- of stortplaatsen.

In de uitzonderingen dient de provinciale verordening op de bodembescherming en/of ter bescherming van waterwingebieden te worden opgenomen. Deze verordening bevat doorgaans ook regels inzake mestopslag e.d.

Voor de afbakening van deze bepaling met artikel 4.4.1 wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel.