JEE

        DURA  LEX

       JURIDISCH ADMINISTRATIEF RECHT

Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid

 

 

 

 

 

1.       Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

2.      Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toelichting

Eerste lid
Het artikel 2.1.6.1 bevat een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.

Tweede lid
In artikel 427, aanhef en onder 4
, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden.
Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is eenieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Vreemd in verhouding met beide hiervoor genoemde artikelen is dat sinds 2002 gemeenten de burgers bij het bouwen van een nieuwe woning de verplichting opleggen om het regenwater te laten afvloeien op eigen erf, eventueel aanwezige sloten of wadi's en soms zelfs de verplichting opleggen om het regenwater via open goten naar de weg te laten vloeien. Bij vorst of dreigende vorst kan in een dergelijk geval niets anders worden geconstateerd dan dat de burger die zich houdt aan deze vreemde verplichting, in strijd handelt met het eerste lid van dit artikel. Indien er sprake is van vorst of een stortvloed aan water bijvoorbeeld een hoosbui dan is er ook al snel sprake van een door een ander ondervonden nadeel en is de burger strafrechtelijk te vervolgen. Bedacht moet worden dat de burger zich niet in zijn totaliteit zal kunnen beroepen op de door de gemeente opgelegde plicht om het water over de weg te laten vloeien. Deze verplichting van de gemeente roep eigenlijk terecht burgerlijke ongehoorzaamheid op.